beleed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leed

Werkwoord

vervoeging van
belijden

beleed

  1. enkelvoud verleden tijd van belijden
    Ik beleed.
    Jij beleed.
    Hij, zij, het beleed.