beleed
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·leed
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| belijden |
beleed
- enkelvoud verleden tijd van belijden
- Ik beleed.
- Jij beleed.
- Hij, zij, het beleed.
- Ik beleed.
| vervoeging van |
|---|
| belijden |
beleed