belasten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·las·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van last met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belasten
belastte
belast
zwak -t volledig

Werkwoord

belasten

  1. (overgankelijk) gewichten plaatsen op
    Jullie hebben de auto te veel belast.
  2. (overgankelijk) als prestatie vergen
    De server werd een lange tijd te zwaar belast, waardoor hij uitviel.
  3. (overgankelijk) opdracht geven tot
    Belast die man toch niet met zoveel taken!
  4. (overgankelijk) iets bezwaren met een verplichting
    Dit huis is met een hypotheek belast.
  5. (wederkerend) zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    Hij belast zich met erg veel functies binnen dat bedrijf.
Vertalingen