belachelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: belachelijk (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /bəˈlɑχələk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /bəˈlɑɣələk/
Woordafbreking
- be·la·che·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van het verouderde werkwoord belachen met het achtervoegsel -lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | belachelijk | belachelijker | belachelijkst |
| verbogen | belachelijke | belachelijkere | belachelijkste |
| partitief | belachelijks | belachelijkers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
belachelijk
- lachwekkend, om uit te lachen