beknorren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·knor·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beknorren |
beknorde |
beknord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
beknorren
- (overgankelijk) iemand een standje geven
- Sommige mensen denken dat je anderen moet beknorren omdat ze anders een loopje met je gaan nemen.