beknibbelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·knib·be·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beknibbelen
beknibbelde
beknibbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

beknibbelen

  1. (inergatief) ~ op relatief kleine verlagingen op een begroting toepassen
    Er werd wat beknibbeld op defensie, maar de grote klappen vielen in het onderwijs.