beklom
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·klom
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beklimmen |
beklom
- enkelvoud verleden tijd van beklimmen
- Ik beklom.
- Jij beklom.
- Hij, zij, het beklom.
- Ik beklom.
| vervoeging van |
|---|
| beklimmen |
beklom