bekleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van kleden met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekleden
bekleedde
bekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

bekleden

  1. (overgankelijk) met stof bedekken
    Ze willen graag de stoelen bekleden, omdat het beter staat.
  2. (overgankelijk) een ambt vervullen
    Hij bekleedde een belangrijke post.
Vertalingen