bekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bekken | bekkens |
| verkleinwoord | bekkentje | bekkentjes |
Woordafbreking
- bek·ken
Zelfstandig naamwoord
bekken o
- een vrij ondiepe maar brede ronde schaal
- (anatomie) het gebeente tussen beide heupen
- (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
- Bekkens worden los gebruikt maar ook per twee tegen elkaar geslagen.
- (geologie) (aardrijkskunde) glooiende laagte, bodeminzinking, stroomgebied
Vertalingen
1. een vrij ondiepe maar brede schaal
2. gebeente tussen beide heupen
3. (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
Zelfstandig naamwoord
bekken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bek
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekken |
bekte |
gebekt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bekken
- op een enthousiaste manier zoenen
- Pieter stond in de hoek te bekken met die blondine.
- goed in de mond liggen
- Die titel bekt niet lekker en kan beter veranderd worden.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Muziekinstrument in het Nederlands
- Geologie in het Nederlands
- Aardrijkskunde in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands