bekeuren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| bekeuren | bekeurend |
| bekeuring | bekeurd |
Uitspraak
Woordafbreking
- be·keu·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekeuren |
bekeurde |
bekeurd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bekeuren
- (overgankelijk) het opleggen van een boete voor een wetsovertreding
- Hij werd bekeurd voor het rijden door een rood licht.