bekennen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| bekennen | bekennend |
| bekentenis | bekend |
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ken·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekennen |
bekende |
bekend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bekennen
- (overgankelijk) iets laak- of strafbaars toegeven
- Na een langdurig verhoor bekende hij de moord gepleegd te hebben.
- niet te ~ zijn: ontbreken, niet te vinden zijn
- We dachten hem daar aan te zullen treffen, maar hij was in geen velden of wegen te bekennen.
- (Bijbel) (seksualiteit) seksuele omgang hebben met