beken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bekennen |
bekén
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekennen
- Ik bekén.
- gebiedende wijs van bekennen
- Bekén!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekennen
- Bekén je?
Zelfstandig naamwoord
béken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beek
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| beken |
beken |
| volledig | |
Werkwoord
beken
- bekennen
- «Beken maar jy is die skuldige!»
- Beken maar dat jij de schuldige bent!
- «Beken maar jy is die skuldige!»
Indonesisch
Woordherkomst en -opbouw
- Het is één van de Indonesische woorden van Nederlandse oorsprong.
Bijvoeglijk naamwoord
beken