beestje
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- beest·je
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | - | - |
| verkleinwoord | beestje | beestjes |
Zelfstandig naamwoord
beestje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beest
- Mijn hond is altijd een braaf beestje geweest, maar nu had hij toch iemand gebeten.
- dim. tant. een klein diertje, insect, bacterie, worm
- Er zaten opeens een hele lading kleine beestjes op de voorruit.
- dim. tant. (informatica), (informeel) een foutje in het programma
- Er zitten wat beestjes in de nieuwste versie van onze software.