bediende

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dien·de
enkelvoud meervoud
naamwoord bediende bedienden, bediendes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bediende v/m

  1. iemand in een ondergeschikte betrekking
  2. huisknecht
  3. officiële benaming voor alle werknemers die geen arbeider zijn, beambte, ambtenaar of employé b.v. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
    De bediende was nergens te bekennen, dus moesten we lang wachten op ons drankje.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bedienen

bediende

  1. enkelvoud verleden tijd van bedienen
    Ik bediende.
    Jij bediende.
    Hij, zij, het bediende.