bediende
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·dien·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bediende | bedienden, bediendes |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- iemand in een ondergeschikte betrekking
- huisknecht
- officiële benaming voor alle werknemers die geen arbeider zijn, beambte, ambtenaar of employé b.v. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
- De bediende was nergens te bekennen, dus moesten we lang wachten op ons drankje.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bedienen |
bediende
- enkelvoud verleden tijd van bedienen
- Ik bediende.
- Jij bediende.
- Hij, zij, het bediende.
- Ik bediende.