bederf
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·derf
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bederf | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bederf o
- een proces van aantasting en verslechtering dat iets onbruikbaar maakt
- Een koelkast beschermt etenswaar enige tijd tegen bederf.
Vertalingen
1. een proces van aantasting en verslechtering dat iets onbruikbaar maakt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bederven |
bederf
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bederven
- Ik bederf.
- gebiedende wijs van bederven
- Bederf!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bederven
- Bederf je?
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| bederf |
bederf |
| volledig | |
Werkwoord
bederf
- (overgankelijk) bederven
- «Te veel melk bederf hul eetlus.»
- Te veel melk bederft hun eetlust.
- «Te veel melk bederf hul eetlus.»
Verwante begrippen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bederf | - |
Zelfstandig naamwoord
bederf