bederf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·derf
enkelvoud meervoud
naamwoord bederf -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bederf o

  1. een proces van aantasting en verslechtering dat iets onbruikbaar maakt
    Een koelkast beschermt etenswaar enige tijd tegen bederf.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bederven

bederf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bederven
    Ik bederf.
  2. gebiedende wijs van bederven
    Bederf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bederven
    Bederf je?


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
bederf
bederf
volledig

Werkwoord

bederf

  1. (overgankelijk) bederven
    «Te veel melk bederf hul eetlus.»
    Te veel melk bederft hun eetlust.
Verwante begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord bederf -

Zelfstandig naamwoord

bederf

  1. bederf