bedeel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- be·deel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bedelen |
bedeel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedelen
- Ik bedeel.
- gebiedende wijs van bedelen
- Bedeel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedelen
- Bedeel je?