bedaren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedaren bedarend
- bedaard
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·da·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Middelnederlandshem bedaren,"tot zichzelf komen. Vanwanten zijn beperkt tot Fries bedearje. Mogelijk verwant aan bedeesd, daas. In dat geval is een wortel *daz- te vermoeden.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedaren
bedaarde
bedaard
zwak -d volledig

Werkwoord

bedaren

  1. (ergatief) tot rust komen, kalm worden
    Eindelijk bedaarde de vreselijke storm en kon het reddingswerk beginnen.
  2. (overgankelijk) kalm maken
    Hij kon het kind slechts bedaren door het een ijsje aan te bieden
Synoniemen
Vertalingen