beëindig
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·ein·dig
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beëindigen |
beëindig
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beëindigen
- Ik beëindig.
- gebiedende wijs van beëindigen
- Beëindig!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beëindigen
- Beëindig je?