barbecue
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bar·be·cue
Woordherkomst en -opbouw
- van het Amerikaans-Engelse barbecue, via het Spaanse barbacoa uit barabicu (w:Taíno-volk, oorsprong van het heilige vuur)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | barbecue | barbecues |
| verkleinwoord | barbecuetje | barbecuetjes |
Zelfstandig naamwoord
barbecue m
- (kookkunst) een apparaat waarbij op een rooster vlees wordt gebraden.
- een feest of partij waar bovengenoemd apparaat gebruikt wordt.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| barbecueën |
barbecue
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
- Ik barbecue.
- gebiedende wijs van barbecueën
- Barbecue!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
- Barbecue je?