bang
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bang
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | bang | banger | bangst |
| verbogen | bange | bangere | bangste |
Bijvoeglijk naamwoord
bang
- een min of meer beredeneerde angst voor iets hebbend
- het is niet vreemd bang te zijn bij dit gevaarlijke spel.
- angstaanjagend, angst verwekkend
- Vallende kraan zorgt voor bange momenten
- Neerlands hoop in bange dagen
- bangelijk, bang van karakter
- Wat is hij toch een bange wezel.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
- bang zijn voor
- bang zijn van
Vertalingen
1. angst hebbend
2. angst opwekkend
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| bang | bangs |
Zelfstandig naamwoord
bang
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to bang |
| he/she/it | bangs |
| verleden tijd | banged |
| voltooid deelwoord |
banged |
| onvoltooid deelwoord |
banging |
| gebiedende wijs | bang |
Werkwoord
bang
Indonesisch
Woordafbreking
- bang
Woordherkomst en -opbouw
- verkorting van abang
Zelfstandig naamwoord
- (oudere) broer
- wordt in combinatie met een roepnaam gebruikt om bekende gezagsdragers mee aan te duiden
Vietnamees
Zelfstandig naamwoord
bang
- staat, deelstaat
- «Hoa Kỳ có bao nhiêu bang?»
- Hoeveel staten tellen de VS?
- «Hoa Kỳ có bao nhiêu bang?»
- de rechterhand van de districtschef, kort voor bang tá.
- een groep Chinezen die uit dezelfde provincie stammen en die een tijdje in hun land onder de Fransen hebben geleefd.
- «Bang Phúc Kiến.»
- De Chinese gemeenschap van Fujian, de Fujiankolonie.
- «Bang Phúc Kiến.»