bang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bang
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bang banger bangst
verbogen bange bangere bangste

Bijvoeglijk naamwoord

bang

  1. een min of meer beredeneerde angst voor iets hebbend
    het is niet vreemd bang te zijn bij dit gevaarlijke spel.
  2. angstaanjagend, angst verwekkend
    Vallende kraan zorgt voor bange momenten
    Neerlands hoop in bange dagen
  3. bangelijk, bang van karakter
    Wat is hij toch een bange wezel.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • bang zijn voor
  • bang zijn van
Vertalingen


Engels

enkelvoud meervoud
bang bangs

Zelfstandig naamwoord

bang

  1. knal
  2. explosie
vervoeging
onbepaalde wijs to bang
he/she/it bangs
verleden tijd banged
voltooid
deelwoord
banged
onvoltooid
deelwoord
banging
gebiedende wijs bang

Werkwoord

bang

  1. knallen


Indonesisch

Woordafbreking
  • bang
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

  1. (oudere) broer
wordt in combinatie met een roepnaam gebruikt om bekende gezagsdragers mee aan te duiden


Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

bang

  1. staat, deelstaat
    «Hoa Kỳ có bao nhiêu bang
    Hoeveel staten tellen de VS?
  2. de rechterhand van de districtschef, kort voor bang tá.
  3. een groep Chinezen die uit dezelfde provincie stammen en die een tijdje in hun land onder de Fransen hebben geleefd.
    «Bang Phúc Kiến.»
    De Chinese gemeenschap van Fujian, de Fujiankolonie.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen