bakkeleit
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- bak·ke·leit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bakkeleien |
bakkeleit
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakkeleien
- Jij bakkeleit.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakkeleien
- Hij bakkeleit.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van bakkeleien
- Bakkeleit!