badhokje
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bad·hok·je
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ||
| verkleinwoord | badhokje | badhokjes |
Zelfstandig naamwoord
badhokje o dim. tant.
- kleine ruimte waar men zich bij het zwemmen kan omkleden.
- Hij moest even wachten omdat alle badhokjes bezet waren.