bade

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·de

Werkwoord

vervoeging van
baden

bade

  1. aanvoegende wijs van baden


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·de
vervoeging
onbepaalde wijs bade
tegenwoordige tijd bader
verleden tijd badet
bada
voltooid
deelwoord
badet
bada
onvoltooid
deelwoord
badende
lijdende vorm bades
gebiedende wijs bad
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

bade

  1. (onovergankelijk) baden, zwemmen
    «I ferien badet vi hver dag.»
    In de vakantie baadden wij elke dag.
  2. (onovergankelijk) (figuurlijk) baden
    «Snøfjellene lå badet i sol.»
    De besneeuwde bergen lagen gebaad in zonneschijn.
  3. (overgankelijk) iemand baden
    «Vi badet barna.»
    Wij baadden de kinderen.
  4. dopen, soppen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: bade i sjøen
zwemmen in de zee
  • [2]: være badet i svette
baden in het zweet (letterlijk: gebaad zijn in zweet))
  • [3]: bade føttene
pootjebaden


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·de
vervoeging
onbepaalde wijs bade
bada
tegenwoordige tijd badar
verleden tijd bada
voltooid
deelwoord
bada
onvoltooid
deelwoord
badande
lijdende vorm badast
gebiedende wijs bad
bada
bade
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

bade

  1. (onovergankelijk) baden, zwemmen
  2. (onovergankelijk), (figuurlijk) baden
    «Landskapet låg bada i sol.»
    Het landschap lag gebaad in zonneschijn.
  3. (overgankelijk) iemand baden
    «Vi bada ungene.»
    Wij baadden de kinderen.
  4. dopen, soppen
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: bade i sjøen
zwemmen in de zee
  • [2]: ligge badet i svette
baden in het zweet (letterlijk: gebaad liggen in zweet))