baanden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- baan·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| banen |
baanden
- meervoud verleden tijd van banen
- Wij baanden.
- Jullie baanden.
- Zij baanden.
- Wij baanden.
| vervoeging van |
|---|
| banen |
baanden