autobus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·bus
enkelvoud meervoud
naamwoord autobus autobussen
verkleinwoord autobusje autobusjes

Zelfstandig naamwoord

autobus m

  1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
    Gaan jullie per trein of per autobus?
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

autobus m

  1. autobus