attaqueer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- at·ta·queer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| attaqueren |
attaqueer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van attaqueren
- Ik attaqueer.
- gebiedende wijs van attaqueren
- Attaqueer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van attaqueren
- Attaqueer je?