associeer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·so·ci·eer

Werkwoord

vervoeging van
associëren

associeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
    Ik associeer.
  2. gebiedende wijs van associëren
    Associeer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
    Associeer je?