associeer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- as·so·ci·eer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| associëren |
associeer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
- Ik associeer.
- gebiedende wijs van associëren
- Associeer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
- Associeer je?