assisteer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sis·teer

Werkwoord

vervoeging van
assisteren

assisteer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
    Ik assisteer.
  2. gebiedende wijs van assisteren
    Assisteer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
    Assisteer je?