assisteer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- as·sis·teer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| assisteren |
assisteer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
- Ik assisteer.
- gebiedende wijs van assisteren
- Assisteer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
- Assisteer je?