arresteert
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ar·res·teert
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| arresteren |
arresteert
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Jij arresteert.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Hij arresteert.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van arresteren
- Arresteert!