arresteer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ar·res·teer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| arresteren |
arresteer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Ik arresteer.
- gebiedende wijs van arresteren
- Arresteer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Arresteer je?