arceren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ar·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| arceren |
arceerde |
gearceerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
arceren
- (overgankelijk) een vlak vullen met een stel fijne lijntjes op regelmatige afstanden evenwijdig aan elkaar
- Door een vlak te arceren wordt er een indruk van licht en donker geschapen.