arceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
arceren
arceerde
gearceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

arceren

  1. (overgankelijk) een vlak vullen met een stel fijne lijntjes op regelmatige afstanden evenwijdig aan elkaar
    Door een vlak te arceren wordt er een indruk van licht en donker geschapen.