appreciëren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·pre·ci·eren, ap·pre·cië·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
appreciëren
apprecieerde
geapprecieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

appreciëren

  1. (overgankelijk) naar waarde schatten, op prijs stellen
    Dat werd bijzonder geapprecieerd.