antenne
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- an·ten·ne
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | antenne | antennes |
| verkleinwoord | antennetje | antennetjes |
Zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde), (elektronica) een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling in het radiofrequente gedeelte van het elektromagnetische spectrum
- De geleider van de antenne kan worden gecombineerd met directoren en/of een reflector om een richtwerking te verkrijgen.
- (dierkunde) een voelspriet bij verschillende dieren/insecten
- (visserij) het staafje van de dobber van een vislijn
Synoniemen
- [2] taster, voelspriet, voelhoorn
Hyponiemen
- [1]
Afgeleide begrippen
- [3] antennedobber
Verwante begrippen
- [1] cai, director, frequentie, golflengte, gsm, kabeltelevisie, LOFAR, mobile telefoon, radio-omroep, paraboolreflector, radiocommunicatie, radiotelescoop, reflector, ruimteonderzoek, televisieomroep, radioverkeer, radiozendamateur
- [3] dobber, vishaak, vishengel, vislijn
Uitdrukkingen en gezegden
- ergens een antenne voor hebben
ergens zeer gevoelig voor zijn
Vertalingen
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.