antedateer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- an·te·da·teer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| antedateren |
antedateer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van antedateren
- Ik antedateer.
- gebiedende wijs van antedateren
- Antedateer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van antedateren
- Antedateer je?