annexeert

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: /ˌɑnɛkˈsɪːrt/
Woordafbreking
  • an·nexeert

Werkwoord

vervoeging van
annexeren

annexeert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annexeren
    Jij annexeert.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annexeren
    Hij annexeert.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van annexeren
    Annexeert!