anker
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- an·ker
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | anker | ankers |
| verkleinwoord | ankertje | ankertjes |
Zelfstandig naamwoord
anker o
- (scheepvaart) onderdeel van een vaartuig dat overboord wordt geworpen om dit vaartuig vast te leggen waar niet aangemeerd kan worden, scheepsanker
- (bouwkunde) ijzeren voorwerp om muren, kozijnen en balken onderling te verbinden bijv. muuranker, balkanker, bintanker, blindanker, gevelanker, gripanker, haakanker, klauwanker, kozijnanker, sieranker, spouwanker, steenanker, strijkbalkanker, ankerplaat
- (techniek) boogvormig deel in een uurwerk, dat met zijn beide armen beurtelings tussen de tanden van het schakelrad grijpt
- (eenheid) (verouderd) oude inhoudsmaat voor wijn en vishandel (35 liter) zie ook kwartanker
- (natuurkunde) poolstuk
- (elektrotechniek) roterend deel van dynamo's en motoren, vaak omwikkeld met geïsoleerd draad ringanker, zie echter ook kooianker
- (spel) afbeelding op het biljartlaken bij het ankerkaderspel
Hyperoniemen
- [1] grondtakel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: hij ligt voor anker
hij is overleden
- [1]: het anker lichten
ervandoor gaan
Vertalingen
- 1. onderdeel van een vaartuig
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ankeren |
anker
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
- Ik anker.
- gebiedende wijs van ankeren
- Anker!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
- Anker je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheepvaart in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Techniek in het Nederlands
- Eenheid in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Natuurkunde in het Nederlands
- Elektrotechniek in het Nederlands
- Spel in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands