anker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een stokanker [1]

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord anker ankers
verkleinwoord ankertje ankertjes

Zelfstandig naamwoord

anker o

  1. (scheepvaart) onderdeel van een vaartuig dat overboord wordt geworpen om dit vaartuig vast te leggen waar niet aangemeerd kan worden, scheepsanker
  2. (bouwkunde) ijzeren voorwerp om muren, kozijnen en balken onderling te verbinden bijv. muuranker, balkanker, bintanker, blindanker, gevelanker, gripanker, haakanker, klauwanker, kozijnanker, sieranker, spouwanker, steenanker, strijkbalkanker, ankerplaat
  3. (techniek) boogvormig deel in een uurwerk, dat met zijn beide armen beurtelings tussen de tanden van het schakelrad grijpt
  4. (eenheid) (verouderd) oude inhoudsmaat voor wijn en vishandel (35 liter) zie ook kwartanker
  5. (natuurkunde) poolstuk
  6. (elektrotechniek) roterend deel van dynamo's en motoren, vaak omwikkeld met geïsoleerd draad ringanker, zie echter ook kooianker
  7. (spel) afbeelding op het biljartlaken bij het ankerkaderspel
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hij ligt voor anker
hij is overleden
  • [1]: het anker lichten
ervandoor gaan
Vertalingen
1. onderdeel van een vaartuig

Werkwoord

vervoeging van
ankeren

anker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
    Ik anker.
  2. gebiedende wijs van ankeren
    Anker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
    Anker je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen