afzondering
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afzondering (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɑfsɔndərɪŋ/
Woordafbreking
- af·zon·de·ring
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afzondering | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
afzondering v
- het afzonderen.
- De afzondering werd niet goed gehandhaafd waardoor de twee dieren snel weer met elkaar konden vechten.
- een verblijf in eenzaamheid.
- Hij moest vanwege zijn oncontroleerbare gedrag jarenlang in afzondering leven.