afzondering
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afzondering (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɑfsɔndərɪŋ/
Woordafbreking
- af·zon·de·ring
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van afzonderen met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afzondering | afzonderingen |
| verkleinwoord | afzonderingetje | afzonderingetjes |
Zelfstandig naamwoord
afzondering v
- het afzonderen; het vrijwillig of (nood-)gedwongen verbreken, of verstoken zijn van contacten/verbindingen zoals bij:
- (geologie) een bestaan in een geïsoleerd leefgebied
- Er zijn in Zuid-Amerika nog altijd stammen die in grote afzondering leven.
- (veeteelt) het uit elkaar houden van dieren
- De afzondering werd niet goed gehandhaafd waardoor de twee dieren snel weer met elkaar konden vechten.
- (psychologie)(juridisch)(medisch)een gedwongen verblijf in eenzaamheid vanwege gedragsproblemen, besmettingsgevaar enz.
- Hij moest vanwege zijn gedragsstoornis jarenlang in afzondering leven.
- (sociologie)het beperkt raken van contact door lichamelijke of geestelijke gebreken, voorspoed of financiële tegenslag, familieomstandigheden enz.
- Zij leeft in afzondering nu de familie niets meer met haar te maken wil hebben.
Synoniemen
Antoniemen
- contact, communicatie, verbinding, menging, nivellering, bijeenkomst, samenzijn, samenvoeging, doorstroming
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- afscherming, quarantaine, separatie, apartheid, onderscheiding, buitensluiting, uitsluiting, opsluiting, afsluiting, excommunicatie, uitbanning, eenzaamheid, hechtenis, gevangenis, isoleercel, grens, afrastering, blokkade, boycot, eiland
Vertalingen
1. het afzonderen