afwas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·was
enkelvoud meervoud
naamwoord afwas afwassen
verkleinwoord afwasje afwasjes

Zelfstandig naamwoord

afwas ,de ~

  1. het afwassen, het af te wassene
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afwassen

afwas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwassen
    ... dat ik afwas.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen