aftrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·trek
enkelvoud meervoud
naamwoord aftrek -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aftrek m

  1. een bedrag dat ergens afgetrokken wordt
  2. het in getal verminderen van iets
    Voor de aftrek van studiekosten geldt een drempel.
  3. in trek zijn, populair zijn, van dingen die worden aangeboden, verkocht
    De zelfgemaakte koekjes vonden gretig aftrek.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aftrekken

aftrek

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aftrekken
    ... dat ik aftrek.