afschrik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schrik

Werkwoord

vervoeging van
afschrikken

afschrik

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afschrikken
    ... dat ik afschrik.