afrem
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- af·rem
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afremmen |
afrem
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afremmen
- ... dat ik afrem.
| vervoeging van |
|---|
| afremmen |
afrem