afleidden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- af·leid·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afleiden |
afleidden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afleiden
- ...dat wij afleidden.
- ...dat jullie afleidden.
- ...dat zij afleidden.
- ...dat wij afleidden.