adverteer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ad·ver·teer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| adverteren |
adverteer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adverteren
- Ik adverteer.
- gebiedende wijs van adverteren
- Adverteer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adverteren
- Adverteer je?