adresseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • adres·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
adresseren
adresseerde
geadresseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

adresseren (overgankelijk)

  1. een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen
    De brief was verkeerd geadresseerd.
  2. (informatica) het adres in een computergeheugen benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens
    De 16-bit adresbus van de eerste generatie personal computers kon 65.536 geheugenlocaties adresseren.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen