adresseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: adresseren (hulp, bestand)
Woordafbreking
- adres·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| adresseren |
adresseerde |
geadresseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
adresseren (overgankelijk)
- een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen
- De brief was verkeerd geadresseerd.
- (informatica) het adres in een computergeheugen benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens
- De 16-bit adresbus van de eerste generatie personal computers kon 65.536 geheugenlocaties adresseren.