acteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
acteren
acteerde
geacteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

acteren

  1. (inergatief) een rol vervullen in een toneelspel
    Zij had vele jaren verdienstelijk geacteerd voordat ze een televisieshow aangeboden kreeg.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen