acteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ac·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| acteren |
acteerde |
geacteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
acteren
- (inergatief) een rol vervullen in een toneelspel
- Zij had vele jaren verdienstelijk geacteerd voordat ze een televisieshow aangeboden kreeg.