achten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ach·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| achten 'ɑxtə(n) |
achtte 'ɑxtə |
geacht ɣə'ʔɑxt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
achten
- (overgankelijk) beschouwen, van mening zijn, houden voor
- Ik acht u daartoe in staat.
- achting geven, een positieve mening hebben over
- acht slaan op
Zelfstandig naamwoord
achten
- meervoud van acht
- roeiwedstrijd tussen achtpersoonsboten (achten)
Zelfstandig naamwoord
achten
Uitdrukkingen en gezegden
- Zij waren met zijn achten.
Zij waren acht in getal.