accentueren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·cen·tu·e·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
accentueren
accentueerde
geaccentueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

accentueren

  1. (overgankelijk) de nadruk leggen op
  2. (overgankelijk) nadruk verdelen over
  3. (overgankelijk) klemtoon aangeven
  4. (overgankelijk) sterk doen uitkomen