acceder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Spaans
Uitspraak
Woordafbreking
- ac·ce·der
Werkwoord
acceder
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| acceder |
accedía |
accedido |
| volledig | ||
- (onovergankelijk) inwilligen, instemmen (met), toestemmen (in)
- (~ a) toegang hebben tot
- (~ a) toegeven (aan), wijken (voor), zwichten (voor)
- (~ a) opklimmen (tot)
- «Acceder al trono.»
- De troon bestijgen.
- «Acceder al trono.»
Synoniemen
- [1] asentir