absolutief
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ab·so·lu·tief
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | absolutief | absolutieven |
| verkleinwoord | absolutiefje | absolutiefjes |
Zelfstandig naamwoord
absolutief m
- (grammatica) een naamval die voorkomt in ergatieve talen en die gewoonlijk gebruikt wordt voor:
- het onderwerp van een onovergankelijk werkwoord,
- het lijdend voorwerp van een overgankelijk werkwoord,
- het naamwoordelijk deel van het gezegde
- in plaats van de vocatief