abonneren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- abon·ne·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abonneren |
abonneerde |
geabonneerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
abonneren
- (wederkerend) zich ~ op een abonnement aangaan
- Hij heeft zich op de Volkskrant geabonneerd.
Vaste voorzetsels
- abonneren op
Vertalingen
1. een abonnement aangaan