abonnement

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abon·ne·ment
enkelvoud meervoud
naamwoord abonnement abonnementen
verkleinwoord abonnementje abonnementjes

Zelfstandig naamwoord

abonnement o

  1. een contract waarbij een persoon op geregelde tijden (bijvoorbeeld wekelijks of maandelijks) een tijdschrift of dergelijke ontvangt.
  2. een regeling, waarbij een eenmalige of periodieke betaling wordt gedaan, welke recht geeft op een gedurende een bepaalde periode onbeperkte gebruikmaking van een bepaalde service.
    Hij heeft een abonnement op het zwembad.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen