abonnement
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: abonnement (hulp, bestand)
Woordafbreking
- abon·ne·ment
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | abonnement | abonnementen |
| verkleinwoord | abonnementje | abonnementjes |
Zelfstandig naamwoord
abonnement o
- een contract waarbij een persoon op geregelde tijden (bijvoorbeeld wekelijks of maandelijks) een tijdschrift of dergelijke ontvangt.
- een regeling, waarbij een eenmalige of periodieke betaling wordt gedaan, welke recht geeft op een gedurende een bepaalde periode onbeperkte gebruikmaking van een bepaalde service.
- Hij heeft een abonnement op het zwembad.
Vertalingen
1.
|